Bestuurlijke ontwikkeling van Bunnik, Odijk en Werkhoven vanaf de middeleeuwen
'De gezamelijke parochianen'
Vóór 1811 bestonden er nog geen gemeenten. Zij werden in dat jaar ingesteld, toen Nederland gedurende korte tijd was ingelijfd bij Frankrijk. Deze vaststelling is historisch juist, maar toch niet volledig. Het begrip gemeente bestond al sinds de middeleeuwen, maar had een andere inhoud. Het sloeg toen op de ‘gemeenschap’, op de gezamenlijke bewoners van een domein, een dorp of een stad. Het sloeg ook op de (woeste) grond waarop die gemeenschap collectief bezits- of gebruiksrechten kon uitoefenen, al werd daarvoor vaker de afkorting meente of meent gebruikt. Een vroege vermelding van een gemeente (in het Latijn communitas) in de zin van gemeenschap betreft Houten, waar in 1316 de term nader wordt uitgelegd als ‘de gezamenlijke parochianen’. Gemeente in de zin van gemene grond (terra communis) komt in Odijk al voor in 1245.
'Gemeenschappen'
In Vechten, Bunnik, Odijk en Werkhoven ontstonden ‘gemeenschappen’ in het kader van domeinen, dat wil zeggen bedrijfseenheden van grootgrondbezitters. In Vechten en Bunnik behoorden die toe aan de bisschop van Utrecht, in Odijk aan de verre abdij van Deutz bij Keulen en voor een klein deel aan de bisschop. Het Werkhovense domein kwam aanvankelijk ook deels toe aan de Keulse abdij, maar in de 13e eeuw geheel aan de bisschop. De bisschop en de andere domeinheren hadden op hun domeinen bedrijfsleiders (meiers), belast met de agrarische exploitatie en met rechterlijke bevoegdheid over de domeinbewoners. Tot in de 13e-, 14e eeuw waren die bewoners onvrij of horig, dat wil zeggen gebonden aan de grond en verplicht tot verschillende prestaties op agrarisch gebied aan de domeinheer. De meier moest dat regelen en er op toezien. Daarnaast moest hij van tijd tot tijd rechtszittingen organiseren en voorzitten (het hofgerecht), waar de domeinbewoners (hofgenoten) zelf vonnissen wezen over kleine vergrijpen. Een vroeg bericht over zo’n rechtszitting onder leiding van de meier Evert hebben wij uit Bunnik uit 1239.
Een 'gerecht'
Al vóór de 13e eeuw raakten de domeinen gedesorganiseerd. Langzamerhand kwam veel grond in andere handen dan die van de domeinheer. Door schenking, belening, verkoop, administratieve onhelderheid of zelfs usurpatie kwamen stukken domeingrond in bezit van derden; van de Utrechtse kapittels, kloosters, plaatselijke kerken, ridders en meer en meer ook van boeren, die hun onvrije status ontgroeiden. Parallel aan deze ontwikkeling evolueerden de meiers van agrarische bedrijfsleiders naar rechterlijke functionarissen en werden voortaan schouten genoemd. Hun ambtsgebied heette ‘gerecht’.
'Landgenoten en buren'
De leden van de gemeenschap binnen het gerecht werden meer en meer onderscheiden als 'landgenoten en buren'. Landgenoten waren eigenaars van grond in het gerecht, onverschillig of zij er zelf woonden of niet, buren waren pachters van grond die binnen het gerecht woonden. Dat iemand- en we bedoelen dan een gezinshoofd- in het geheel geen grond had en dus noch landgenoot noch buur was, kwam aanvankelijk niet voor; wel kon men natuurlijk landgenoot en buur tegelijk zijn. Ook vrouwen en kinderen (onder voogdij) konden land in eigendom of pacht hebben, maar zij deelden niet in de rechten, die de landgenoten en buren op plaatselijk niveau uitoefenden. De voornaamste rechten waren deelname aan de rechtszittingen, het beraadslagen over waterstaatszaken, het beheer van de (weinige) nog overgebleven gemene grond, het opstellen van een voordracht bij een pastoorsvacature en inspraak inzake reparaties aan de kerk. Men kan zeggen dat in de laatste twee gevallen de buren als parochianen optraden. Landgenoten die niet tevens buur waren (en dus elders woonden) hadden zich daarbij afzijdig te houden. Aan de andere kant waren buren die geen landgenoot waren uitgesloten van discussies over de afwateringsproblematiek.
Versnippering
Hoeveel gerechten waren er op het grondgebied van de huidige gemeente Bunnik? Als wij het al vroeg verdwenen domein Rumpst buiten beschouwing laten dan waren er oorspronkelijk vier domeinen, te weten Vechten, Bunnik, Odijk en Werkhoven, waarvan men op grond van de boven geschetste evolutie mag verwachten dat zij zich tot vier gerechten zouden ontwikkelen. In werkelijkheid omvatte het grondgebied van de huidige gemeente Bunnik in de 14e eeuw negentien gerechten en strekte het zich bovendien uit over kleine gedeelten van nog eens zeven gerechten, die thans voor het grootste deel onder naburige gemeenten vallen. Een enorme versnippering dus, allerminst bevorderlijk voor een goede rechtspleging. Toch was de opperste gerechtsheer in het Nedersticht, de bisschop, daar zelf schuldig aan, al is zijn handelwijze wel begrijpelijk.
Toen in de 11e eeuw de bisschop van Utrecht door de Duitse keizer met wereldlijk gezag werd bekleed, had hij een ambtenarenapparaat en een leger nodig om dat gezag uit te oefenen. Hij recruteerde die ambtenaren en militairen – ministerialen – uit de onvrijen van zijn domeinen en beloonde hen, omdat geld in die tijd schaars was, met grond en soms ook met lage gezagsrechten. Die beloning vond plaats in de vorm van een leen maar dat werd erfelijk, zodat de bisschop de bewuste grond en de eventueel daarbij behorende gezagsrechten voorgoed kwijt was. De ambtenaren en militairen, hoewel aanvankelijk tot de onvrijen behorend, werkten zich op tot een hogere sociale stand en vormden de basis van de laat- middeleeuwse ridderschap. De goedgeefsheid van de bisschop in de 11e en vroege 12e eeuw had tot resultaat dat een groot aantal kleine tot zeer kleine gerechten werd gevormd, vaak als enclaves in de gerechten van de bisschoppelijke meiers. In Vechten ontstonden zoveel mini-gerechten op het grondgebied van het bisschoppelijk domein, dat het resterende ambtsgebied van de meier met dat van de Bunnikse meier werd samengevoegd tot één gerecht Bunnik en Vechten.
Dit samenvoegen moet al in het begin van de 12e eeuw gebeurd zijn. Het strekte zich in het westen tot buiten de huidige gemeente Bunnik uit.
Het territoir van de huidige gemeente omvatte verder de mini-gerechten Wiltenburg, Oud-Amelisweerd, Nieuw-Amelisweerd, Staartje van de Boeye, Rijnauwen, Vechterbroek, Gulden Hoeve van Sint Pieter, Gulden Hoeve op Rijsbrug, Ten Rijn en Ter Hul. Daarnaast vielen kleine gedeelten van de gerechten Slagmaat-Sint Laurens, Slagmaat-Sint Jan, Oostbroek, Zeist en Stoetwegen binnen de huidige gemeente, maar omgekeerd waren er ook enkele mini-gerechten, die hoewel ontstaan uit het domein Vechten, in de loop van de tijd buiten het grondgebied van de huidige gemeente zijn komen te liggen: Grote Koppel, Kleine Koppel en Maarschalkerweerd.
In Vechterbroek, Gulden Hoeve op Rijsbrug, Ten Rijn en Ter Hul kwam de rechtsmacht toe aan ministerialen, in Gulden Hoeve van Sint Pieter, Amelisweerd, Wiltenburg en Slagmaat-Sint Laurens aan een abdij. Het kapittel van Oudmunster gaf Amelisweerd in twee gedeelten (Oud- en Nieuw-Amelisweerd als direct in leen uit aan ministerialen, Vechterbroek werd in 1489 verkocht aan de bisschop, zodat dit gerechtje toen werd samengevoegd met het gerecht Bunnik en Vechten, Gulden Hoeve op Rijsbrug kwam in 1486 aan een klooster en Ter Hul in 1502 aan een kapittel.
In Odijk had de abdij van Deutz in 1256 afstand van haar domein gedaan en sindsdien traden daar ministerialen uit het geslacht Van Vianen (later Van Vianen van Beverweerd) op als gerechtsheer. Omdat de bisschop maar een klein deel van het Odijkse domein had bezeten, waren ook de blijken van zijn gulheid daar niet zo waarneembaar en ontstonden er naast het gerecht Odijk slechts twee kleine gerechtjes, te weten Zoogwijk dat aan een ministeriaal behoorde, en een gerechtje van het kapittel van Sint Pieter, waarvan wij de ligging niet kennen. De Odijkersteeg, (thans Zeisterweg, Odijkerweg en Breullaan) behoorde met een aangrenzende strook grond geheel tot het gerecht Odijk. Nu ligt deze weg voor het grootste deel buiten de gemeente Bunnik, terwijl deze gemeente zich thans (sinds een grenswijziging in 1964) wel uitstrekt over kleine gedeelten van de vroegere gerechten Stoetwegen, Vierhoeven en het Sint Pietersgerecht bij Stoetwegen. Vierhoeven had, hoewel het niet tot het gerecht Odijk behoorde, daar al sinds de middeleeuwen nauwe banden mee. Het was tweeherig; de heer van Odijk oefende er samen met de heer van Stoetwegen het gezag uit. Zuidelijker trof men het gerecht Werkhoven aan en de mini-gerechten Herikwijkerwaard, Leemkolk, Katwijkerveld met nog een gerechtje bij Beverweerd, die alle aan ministerialen toekwamen.
De rechtspraak
De uitoefening van de rechtsmacht verschilde in de praktijk naar gelang van de grootte van de gerechten. Alleen in de grote gerechten was een normale uitoefening mogelijk. In de mini-gerechten die soms maar enkele hectaren groot waren, kon de rechtsmacht in het geheel niet worden uitgeoefend.
De 'schout'
In de drie grote gerechten Bunnik en Vechten, Odijk en Werkhoven stelden de bezitters van de rechtsmacht, de ‘gerechtsheren’ - in Bunnik en Vechten en in Werkhoven de bisschop en in Odijk de heer van Vianen (Beverweerd) – schouten aan, die de rechtbank voorzaten en als belastinginner optraden. De landgenoten en buren konden in principe allen aan de rechtszittingen deelnemen. Als velen van hen opkwamen liep het al gauw uit op chaotische toestanden, kwamen er te weinig dan kon de rechtspleging geen doorgang vinden. Willekeur, partijdigheid en corruptie waren bezwaren die aan de burenrechtspraak kleefden.
'Schepenbanken'
In de 16e eeuw werden dan ook 'schepenbanken' ingevoerd om aan die situatie een einde te maken. Colleges van een vast aantal schepenen, jaarlijks door de gerechtsheer uit een door de schout opgemaakte nominatie benoemd, die ambtshalve rechtspraken en daarbij gehouden waren aan een eed, moesten een waarborg vormen voor een efficiënte rechtsgang. In 1540 werd een bank van zes schepenen ingesteld in Bunnik en Vechten, in 1554 een bank van vijf schepenen in Werkhoven en tussen 1547 en 1565 een bank van zeven schepenen in Odijk.
De competentie van de plaatselijke rechtbanken, of het nu buren- of schepenrechtspraak betrof, was niet groot. Civiele zaken en strafrechtelijke zaken waarop lage boetes stonden, konden er berecht worden, maar in de kleine samenlevingen van slechts 100 á 200 personen viel er niet zoveel te berechten.
Een 'rechtdag'
Slechts enkele malen per jaar vond een ‘rechtdag’ plaats, waarop de vierschaar werd gespannen en zaken werden behandeld, die varieerden van kleine diefstallen, verwoningen en belasting ontduiking tot het doen grazen van vee op andermans weide, het niet snoeien van heggen en dergelijk. Waarschijnlijk vond dat eeuwenlang plaats in de open lucht op de meent of brink, dat tevens als dorpsherberg fungeerde. De schout bracht de vonnissen, die gewezen werden door de schepenen en meestal bestonden in het opleggen van een boete, ten uitvoer. Men kon tegen de vonnissen, uitgesproken in de plaatselijke gerechten, in beroep gaan bij een bisschoppelijke rechtbank in Utrecht, sinds 1530 bij het Hof van Utrecht. In Utrecht werden ook de criminele zaken berecht.
Veel belangrijker dan de contentieuze rechtspraak was de taak die de gerechten hadden op het terrein van de voluntaire jurisdictie, dat wil zeggen rechtshandelingen tussen derden, zoals koop en verkoop, verpachting, hypotheekstelling, testamenten, voogdijregelingen enzovoort. Voor al deze rechtshandelingen, waarvoor men ook naar een notaris kon gaan, waren schout en landgenoten en buren c.q. schout en schepenen bevoegd. De keuze tussen een notaris, meestal wonend in de stad, en het plaatselijke gerecht was voor ieder vrij, behalve inzake de overdracht van onroerend goed, want daarvoor was allen het gerecht bevoegd. De akten die uit de rechtshandelingen voortvloeiden, werden door de gerechtssecretaris opgesteld, door de schout en soms ook door de schepenen gezegeld en aan de partijen overhandigd. De secretaris tekende ook de handelingen van schout en schepenen op in registers. Ook de akten werden, alvorens de originelen aan de partijen werden ter hand gesteld. In deze registers afgeschreven.
Oudste schepenregister
Het oudste schepenregister dat bewaard is gebleven, is dat van Odijk, dat in 1566 aanvangt. De registers van Bunnik zijn vanaf 1596 bewaard, maar dan ook integraal, terwijl die van Werkhoven alle verloren zijn gegaan. In Odijk trad in de tweede helft van de 16e eeuw de pastoor op als secretaris, later zien we ook wel schoolmeesters in die rol.
Mini-gerechten
Wat de mini-gerechten betreft, leek Vechterbroek (vóór de opheffing in 1496) nog het meest op een normaal gerecht. De gerechtsheer uit de familie van Rijnauwen had er een schout en zo nu en dan werd er voluntaire jurisdictie uitgeoefend met landgenoten en buren. Die buren waren dan pachters van grond, die in de omgeving woonden, want het gerecht zelf was onbewoond. In de 16e en 17e eeuw zien we iets vergelijkbaars in Oud en Nieuw-Amelisweerd en Rijnauwen. Buiten de ridderhofsteden stond in elk van deze gerechten ongeveer één huis, waarvan de hoofdbewoner door de gerechtsheer tot schout was aangesteld. De weinige keren dat er een voluntaire rechtshandeling plaats vond, werd er samengewerkt zowel onderling als met de aangrenzende gerechten Maarschalkerweerd, Grote Koppel en Kleine Koppel, waarin ook een paar huizen stonden. De schout van het gerechtje waar de rechtshandeling plaats vond, zat dan de rechtbank voor en de schouten van de andere gerechtjes fungeerden als landgenoten en buren. In Ter Hul stelde sinds 1502 het kapittel van Oudmunster (als gerechtsheer en enige grondeigenaar) zijn pachter aan tot schout. Evenzo deed dat het kapittel van Sint Jan in Slagmaat-Sint Jan. In deze gevallen werd er niet samengewerkt en vond er dus nooit een rechtszitting plaats. De overige mini-gerechten hadden geen schout en de meeste waren onbewoond. Zelfs dan kon er echter wel eens wat te berechten zijn, zoals een geschil over begrenzing van land. Men moest zich dan wenden tot een naburig goed functionerend gerecht.
Auteur: C. Dekker
Colofon
Prof. dr. C. Dekker (Odijk) was mede-oprichter in 1966 van de Historische Kring 'Tussen Rijn en Lek', Rijksarchivaris in de provincie Utrecht in 1975-1991 en hoogleraar paleografie en archiefwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam in 1980-1996.
Bron: Het Kromme -Rijngebied, tijdschrift van de Historische Kring 'Tussen Rijn en Lek' september 1996 30-3, themanummer: Gerechts- en gemeentehuizen in Bunnik, Odijk en Werkhoven